Carillon

‘In 1405 overleed graaf Albrecht van Beieren. Zijn lichaam werd in de Haagse kerk opgebaard en daarna onder klokgelui naar de Hofkapel gebracht’. Het geluid van een klok in het Haagse centrum is dus al heel lang aanwezig. De klok hing waarschijnlijk in een houten ‘klokkenstoel’ naast de kerk.
 
In de jaren 1420 tot 1424 werd de huidige zeskantige toren gebouwd. Het is zeer waarschijnlijk dat daarin reeds luidklokken werden gehangen. Ook moet er een uurwerk zijn geweest dat de tijd aangaf met enkele klokjes die vóór de uurslag een eenvoudig melodietje speelden, de zogenaamde ‘voorslag’.
 
Op de grote klokken moet in die tijd ook al zijn ‘gebeierd’. Een ‘beierman’ liet dan bij kerkelijke of wereldlijke feesten vanuit de toren een ritmisch klankspel horen op enkele stil hangende klokken. Het oudst bekende Haagse archiefstuk waarin een beierman werd betaald dateert uit 1454.
 
Na blikseminslag in december 1539 brandde de toren gedeeltelijk af. Mede door steun van de landsheer, Keizer Karel V, werd de vernieuwde toren in 1541 voorzien van een grote klok die ook bij onraad kon waarschuwen. Deze is nog steeds aanwezig en geeft de hele uren aan. Ze weegt ongeveer 6.000 kg en werd gegoten door Jan en Jasper Moer uit ’s-Hertogenbosch. Bijzonder is, dat op deze klok aan drie kanten de oudst bekende afbeelding van het Haagse wapen met de ooievaar is te zien. Ook werden in dat jaar nieuwe voorslagklokjes en een nieuw uurwerk geplaatst. In diezelfde eeuw werden voor allerlei doeleinden nog meer grote klokken opgehangen. Bijvoorbeeld de nog steeds aanwezige Jacob uit 1570.
 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog eiste de Duitse bezetter de grote klokken op. De klok uit 1541 stond op een gegeven moment in de torenhal klaar voor vervoer, de volgende dag. Snel echter werd de toreningang versmald met oude houten balken, waardoor de klok niet naar buiten kon. De truc had het gewenste resultaat. Toen in het voorjaar van 1945 de bevrijding in zicht was, werd de klok op verzoek van de uit zijn ambt ontheven burgemeester De Monchy opgetakeld, zodat op 5 mei 1945 haar machtige geluid over Den Haag klonk. De andere gevorderde klokken werden wel naar Duitsland vervoerd, maar kwamen na 1945 ongeschonden terug.
 
Het aantal voorslagklokjes groeide na 1541 uit tot een carillon, waarop muziekstukken konden worden gespeeld. In 1647 en 1648 werden tien klokken bijgegoten door de later beroemd geworden Amsterdamse stadsklokken- en geschutgieters François en Pieter Hemony.
 
In 1686 werd in opdracht van het Haagse bestuur een geheel nieuw instrument vervaardigd door Melchior de Haze uit Antwerpen. Dit spel, dat toen bestond uit 37 klokken, werd in 1956 uitgebreid door klokkengieterij Eijsbouts te Asten. De beiaard telt nu 51 klokken. Daarvan hangen er 47 in de spits, duidelijk zichtbaar vanaf de straat. Recht boven de hoofdingang van de kerk – de ereplaats – hangen sindsdien de zes klokken die in 1956 zijn vernoemd naar de toenmalige leden van de koninklijke familie: ‘Juliana’, ‘Bernhard’ en de vier prinsessen.
 
Het klavier voor het handspel staat in een kamertje enkele meters onder het carillon. Vier grote klokken – uit 1541, 1570, 1647 en 1956 – hangen drie etages lager. Ze zijn op het klavier aangesloten met behulp van lange metalen draden.
 
HET AUTOMATISCH SPEELWERK
 
Het automatisch carillon klinkt dagelijks van 8.15 tot 21.00 uur. De melodieën worden gespeeld door middel van een grote ijzeren trommel, gemaakt tussen 1686 en 1689 door de Haagse smid Libertus van der Burgh, die in het Spuikwartier bij de Nieuwe Kerk zijn werkplaats had. Deze cylinder heeft een diameter van 1.90 meter, een breedte van ongeveer een meter en telt bijna 14.000 gaten. Daarin kunnen verplaatsbare pennen worden gestoken. Deze brengen tijdens het draaien van de trommel een mechaniek in werking, waarmee hamers worden opgelicht. Bij het terugvallen van de hamers worden de klokken aangeslagen. De speeltrommel werkt eigenlijk als een grote speeldoos. Eens in de vier maanden – in januari, mei en september – worden nieuwe melodieën gemaakt door het steken van de pennen - enkele honderden - in andere gaten. Dat vergt ongeveer drie dagen werk.
De speeltrommel die van 1541 tot 1689 in de toren functioneerde, is reeds jaren te bewonderen in het Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum in Schoonhoven. De verantwoordelijke ambtenaren van Den Haag hadden er in 1927 geen belangstelling meer voor.
 
De beiaard in de Sint Jacobstoren (reeds in de zeventiende eeuw de ‘Haagse Toren’ genoemd) wordt al eeuwenlang – zo blijkt uit een archiefstuk uit 1566 – bespeeld op maandag en vrijdag. In 1956 is daaraan de woensdag nog toegevoegd. De beiaardier speelt op die dagen van 12.00 tot 13.00 uur.
 
Sinds 1 mei 1975 beklimt stadsbeiaardier Heleen van der Weel de 321 treden die naar de klavierkamer voert. Eerst de houten trap in de torenhal, dan via de balustrade en de stenen wenteltrap naar de eerste zolder. Op de tweede hangen de grote klokken, ter hoogte van de zogenaamde ‘galmgaten’. Op de derde zolder, waar de houten, met lood bedekte spits begint, staat in een ombouw de grote speeltrommel. Drie houten steile trappen voeren daarna naar de klavierkamer. Heleen van der Weel is de twintigste bespeler en eerste vrouw die in een opeenvolgende reeks sinds 1566 door het stadsbestuur is aangesteld.
 
BESPELERS VAN HET CARILLON
 
De lijst met de bespelers – klokkenisten of beiaardiers genoemd – begint vanaf het midden van de zestiende eeuw. Daarvóór is in archiefbronnen ook al sprake van het gebruik van de klokken bij wereldlijke feesten en processies. Maar deze bespelers zijn niet met hun naam bekend, hooguit als ‘de beierman’. De lijst begint daarom met:
 
Jacob Janszoon Kelder …. – 1590
Jan Jacobszoon Kelder 1590 – 1625
Jacob Blankenburgh 1625 – 1633
Pieter Alewijnszoon de Vois 1633 – 1653
Stephanus van Eyck 1653 – 1673
Hermanus van Eyck 1673 – 1678
Pieter Pater 1678 – 1682
Stephanus Cousijns 1682 – 1697
Casper Cousijns 1697 – 1717
Aeneas Egbertus Veltkamp 1718 – 1741
Albertus Freese 1741 – 1742
Albertus Groneman 1742 – 1778
Hendrik Krayenbrink 1778 – 1824
Johan George Berger 1824 – 1856
Gerrit Pieter Koning 1856 – 1874
Jean Antoine Henri van Hartrop 1874 – 1885
Johannes Andries de Zwaan 1885 – 1927
Johannes de Zwaan 1927 – 1956
Hendrik Christiaan Herzog 1956 – 1975
Helena Barendina (Heleen) van der Weel 1975 tot heden
 
In 2006 besloot B&W een zevental straten te vernoemen naar organisten en/of klokkenisten van de Grote Kerk. Het ging om nieuwe straten in de wijk Waldeck, temidden van een muziekwijk met bestaande straten die zijn vernoemd naar componisten en musici. De zestiende-eeuwse organisten Matthijs Waelpot en Andries van Coolhem werden vernoemd. En de zeventiende- en achttiende-eeuwse klokkenbespelers – tevens organist van de Grote Kerk – Pieter de Vois, Stephanus Cousijns, Albertus Freese, Albertus Groneman en Aeneas Egbertus Veltkamp.
 
BESPELING VAN HET CARILLON
 
De beiaard van de Sint Jacobstoren wordt al eeuwenlang - zo blijkt uit een archiefstuk uit 1566 - bespeeld op iedere maandag en vrijdag als er markt was. In 1956 is daaraan de woensdag nog toegevoegd. De beiaardier - Heleen van der Weel - speelt op die dagen van 12.00 tot 13.00 uur.
 
Actuele informatie over de bespeling van het carillon vindt u op Nieuws »