Metzler orgel
Een zangrijke klank
Boven de hoofdingang van de kerk is sinds 1971 het orgel te bewonderen dat werd gebouwd door de Zwitserse firma Metzler & Söhne. Het geldt nog steeds als een van de belangrijke nieuwgebouwde orgels van de laatste decennia in Nederland. Het omvat een hoofdwerk, rugpositief, borstwerk en pedaal. Het beschikt over drie manualen en telt vijftig stemmen of registers.
De kast, een ontwerp van Bernard Edskes, rust op een galerij die wordt gedragen door zuilen van gemarmerd hout. Griekse ornamenten sieren de kapitelen (bekroning) van de kolommen die met bladgoud zijn belegd.
Bij het inspelingsconcert in 1971 door Adriaan Engels, organist van de Grote Kerk, schreef een recensent van ‘Het Orgelblad’: “… het orgel van de St. Jacobskerk is dan ook een gaaf instrument geworden met een beschaafde klank”. Engels’ opvolger Wim van Beek gaf talloze concerten op het orgel en trok daarmee grote publieke belangstelling. De huidige organist, Ben van Oosten, bespeelt het orgel sinds 1990. Hij noemt het orgel met zijn voorname grondstemmen en zangrijke klank uitermate geschikt voor het Noord-Duitse barokke repertoire, maar ook andere stijlen, zoals de vroege Franse romantiek en het moderne repertoire komen er prima tot hun recht.
De Grote Kerk kent een rijke orgelgeschiedenis, al is van vóór de grote brand in 1539 weinig bekend. Wel is haast zeker dat kort na 1500 de kerk over een of twee orgels beschikte en mogelijk was dit al veel eerder het geval. Graven als Floris V, Albrecht van Beieren en Filips de Goede van Bourgondië hebben de kerk immers vele malen gebruikt en bij feestelijke vieringen was muziek een vereiste.
In 1549, in de laatste periode van de katholieke eredienst, leverde Cornelis Gerritsz een nieuw orgel voor de Grote Kerk, dat zeer waarschijnlijk aan de torenwand werd geplaatst. Die plaats werd voor deze grote instrumenten gebruikelijk, want het bood akoestische voordelen.
Met de reformatie kwam er een ommekeer. In 1574 vaardigde de synode van Dordrecht een orgelverbod uit, wat in de praktijk neerkwam op een gebruiksverbod tijdens de eredienst. Het kerkgezang van de calvinisten had ook geen orgelbegeleiding nodig. Toch werden organisten, soms zelfs een katholieke, aangesteld. De stedelijke regenten stelden de kerken open als schuilplaats voor minderbedeelden en als recreatieruimte. ‘Men hoorter vuyle Minne-liedekens, daer Hoeren en Camerspelers op dansen. Men loopt tot het heilighe Huys als tot een Tooneel, om de ooren te vermaken’, meldt Constantijn Huygens in zijn tractaat “Gebruyck en ongebruyck van ’t orgel in de kercken der Vereenighde Nederlanden’. Huygens, die Sweelinck zeer bewonderde, pleitte sterk voor orgelbegeleiding tijdens het zingen van de psalmen, dat kennelijk niet om aan te horen was.
Ook de orgelmakers bleven actief met restauratie en ombouw. In 1626 krijgt de kerk zelfs een heel nieuw hoofdorgel, gebouwd door vader en zoon Van Hagerbeer, voor publieke bespelingen wel te verstaan. Dit orgel werd, na enkele eerdere aanpassingen, in 1877 verkocht en is sindsdien spoorloos. Het kleine orgel was al in 1679 verkocht aan de Kloosterkerk. De Grote Kerk kreeg een orgel van Johan Frederik Witte, een instrument met liefst 55 stemmen, waar organisten en publiek blij mee waren en dat door grote musici als Saint-Saëns, Vierne, Schweitzer, Tournemire en Jeanne Demessieux is bespeeld. Toen de muzikale belangstelling verschoof naar meer een authentieke uitvoering van de barokmuziek en naar modernere werken, was het lot voor ‘het grote harmonium’ beslist. Het werd gesloopt. Slechts enkele radio- en grammofoonopnamen herinneren aan de klankrijkdom van dit instrument.