| Full screen |

Bezienswaardigheden

Gebrandschilderde ramen

Vaak vernield, maar de eeuwen overleefd

Als een van de weinige kerken in Nederland bezit de Grote Kerk twee gebrandschilderde ramen die dateren uit de eerste helft van de 16de eeuw. Toen na de grote brand van 1539 de kerk werd herbouwd, moesten ook de glazen worden hersteld. Slechts twee van de oorspronkelijke 26 hebben de eeuwen overleefd en zijn nog te bewonderen.
 
De beeldenstorm heeft aan de ramen geen schade aangericht, het herstel is zelfs daarna doorgegaan. Maar stormen, opstootjes en straatjongens hebben met ‘balgooyen, kooten en kaetsen, ja werpen van steenen’ veel vernield. Verkeerde restauraties in de loop der eeuwen, vooral die in 1878-84, deden de rest.
 
De twee resterende ramen bevinden zich in de kooromgang van de kerk: het Keizer Karelraam, geschonken door Karel V, die als Heer der Nederlanden Den Haag kort na de brand bezocht, en het raam van de kanunniken van de Hofkapel, dat vanwege de voorstelling ook wel het Maechdeglas wordt genoemd. Beide ramen worden toegeschreven aan de gebroeders Dirk en Wouter Crabeth, die later ook de ramen in de Goudse St. Jan hebben vervaardigd.
 
Het middelste koorvenster, geschonken door de keizer Karel, toont Maria met het Kind Jezus, neerdalend uit de wolken en met haar voet op de nek van Satan. Boven haar hoofd de duif die de Heilige Geest voorstelt. De keizer in goudbruine mantel knielt op een blauw kussen met voor zich de bijbel, opengeslagen bij de eerste verzen van het evangelie van Johannes, in het Spaans: En el principio era la palabra (in het begin was het woord). De helm en handschoenen van de keizer liggen op de grond, scepter en rijksappel op een kussen. Op de rand van het onderkleed is Plus oultre geborduurd, een deel van Karels lijfspreuk Montes Herculis Colun plus ultra, hetgeen betekent: Mijn rijk gaat tot de zuilen van Hercules (Gibraltar) en nog verder (tot Amerika).
 
In de loop der eeuwen heeft het prachtige raam veel aandacht getrokken en is om die reden ook vaak gerestaureerd. Daarbij werden fragmenten van andere ramen gebruikt, ook van het kanunnikenraam. Bij de restauratie van 1916 zijn verkeerde toevoegsels weggehaald en zijn de onderste twaalf vakken door nieuwe vervangen. Daarin staat de schenker vermeld en de namen van de onderdelen van zijn rijk.
Het Maechdeglas, in de derde travee (ruimte tussen twee kolommen of steunberen) van de noordelijke kooromgang, geeft een voorstelling van de aankondiging van de geboorte van Jezus door de engel Gabriël. Maria, gekleed in blauw gewaad en gezeten naast een bidbank waarop haar hand rust, luistert naar de engel in paars kleed met blauwe vleugels die haar de boodschap brengt dat de geest Gods (gesymboliseerd door de duif) over haar zal komen en zij een zoon zal baren. God zelf ziet op het tafereel toe. In de twaalf vakken onderin staan de kanunniken, de schenkers van het raam. Hun wapens zijn boven hun hoofd aangebracht.
 
In 1916 is ook dit raam hersteld door de Delftse glazenier Jan Schouten die daarbij gebruik kon maken van een tekening uit de 18de eeuw, toen het raam nog vrijwel ongeschonden was. Ook bestudeerde hij de fragmenten van andere oorspronkelijke ramen die zich nog in het Gemeentemuseum bevinden. Het atelier van Schouten vervaardigde voor de kooromgang van de Grote Kerk ook drie nieuwe glazen, naar ontwerp van H. Veldhuis. Deze stellen voor De annunciatie aan Zacharias, De aanbidding van de herders en De twaalfjarige Jezus in de tempel.

Jan de Bakkerraam

Martelaar van de reformatie
 
Het hoge venster in het zuidelijk dwarsschip is gewijd aan de eerste martelaar van de hervorming, Jan de Bakker. Hij werd geboren in 1499 in Woerden als zoon van een koster en studeerde in Utrecht en Leuven, alvorens in 1522 priester te worden gewijd. Aangetrokken tot de ‘nieuwe leer’ van Maarten Luther hield hij in het Zuid-Hollandse polderdorp Jacobswoude de wellicht eerste hervormingsgezinde preek uit de vaderlandse geschiedenis. Zijn ‘ketterse’ preken en zijn huwelijk brachten hem in conflict met de autoriteiten. Hij deed afstand van het priesterschap en koos het beroep van bakker, evenwel zonder zijn preekactiviteiten te verminderen. Hij werd gevangen gezet in de Gevangenpoort in Den Haag en ter dood veroordeeld. De terechtstelling op de brandstapel in 1525 vond plaats op het Groene Zootje (aan de Lange Vijverberg tegenover de Plaats).
 
Vier eeuwen later, in 1925, werd het Nationaal Comité Herdenking Jan de Bakker opgericht, dat de schilder Max Nauta opdracht gaf een gebrandschilderd raam aan Jan de Bakker te wijden. De firma Schrier en De Ru in Haarlem voerde het ontwerp uit. Het raam werd in 1930 onthuld.
In het raam zijn twee gedeelten te onderscheiden: onderin wordt het tijdelijke, menselijke leven weergegeven, boven in het eeuwige, het goddelijke. Jan de Bakker staat in het midden prominent in beeld, omgeven door vrijheidshelden als Willem van Oranje die een schild draagt met het opschrift ‘Je maintiendrai’. Links vissers en vrouwen die het Woord van God beluisteren en een jongen met een scheepje, symbool voor de vrijheid op de zee veroverd. Beneden staan de figuren van Stefanus en Paulus, de vroegste martelaren van het christendom. Voor Stefanus liggen de stenen waarmee hij is gedood, Paulus draagt het zwaard waarmee hij is onthoofd. ‘Zalig zijn die vervolgd worden om der geregtigheid wil’ (Matt. 5: 10), staat bij hen te lezen. De bloeddruppels symboliseren het bloed van duizenden martelaren uit de tijd der reformatie.
 
Links van Jan de Bakker staat een groep rond de bisschop die Jan de Bakker zijn priesterkleed gaat ontnemen, voorts de beul, een blinde franciscaner monnik en de kop van inquisiteur Ruard Tapper. Terwijl de bisschop in luisterrijk ornaat naar beneden wijst, strekt Jan de Bakker in sobere kleur de rechterhand naar de hemel. Een pelikaan en een feniks stijgen op naar het licht waar de Bijbel uitrijst boven het aardse gewoel. Het licht dat het Woord van God verspreidt, vormt het kruis van de overwinning. De symbolen van de evangelisten en engelen omgeven het kruis. In de omlijsting staan wapenschilden van reformatorische landen en helden, geheel bovenin straalt de ster van Bethlehem in een doornenkroon als symbool van het Nieuwe Verbond en de Davidsster als symbool van het Oude Verbond. De Heilige Geest in de gedaante van een duif bekroont alles. 


Wapenschilden van de Ridders van het Gulden Vlies

Vliesridders op bezoek
 
In mei 1456 kwamen de ridders van de Orde van het Gulden Vlies in Den Haag bijeen voor hun negende kapittelvergadering. Hertog Filips de Goede van Bourgondië had de orde in 1430 in Brugge gesticht naar het voorbeeld van onder meer de Orde van de Kousenband (1348). Praemium non vile laborem (de beloning voor zware arbeid is niet gering) luidde het devies waarmee de hertog – tevens graaf van Holland – zich verzekerde van de trouw van zijn ridders. Tegen niet-volgzame ridders kon streng worden opgetreden.
 
De versierselen van de ridderorde zijn een keten van vuurslagen, afgewisseld door met email versierde vuurstenen met een gouden ramsvacht dat verwijst naar de tocht van Jason en zijn Argonauten, een verhaal uit de Griekse mythologie dat een tegenhanger heeft in de geschiedenis van Gideon uit het boek Richteren.
 
Iedere ridder bracht een eigen wapenbord mee en dat kreeg na afloop van het kapittel een plaats in de Grote Kerk. De borden hangen nog steeds, 34 in getal, in de tweede travee van de noordelijke en zuidelijke muur. Het bord van hertog Filips zelf hangt aan de zuil tegenover de preekstoel. Daarop de titels van de tres haut et tres excellent et tres puissant prince Philippe en zijn devies Aultre n’auraij (een andere orde heb ik niet).
 
Op enkele van de ridderborden staat de toevoeging trepasser (overleden). Een van de borden vermeldt de tekst dat ridder Pedro de Cordona, graaf van Golizenne, dood was aangetroffen door degenen die hem het ordeteken kwamen overhandigen.
 
In de stad waar het kapittel bijeenkwam, werden kerkdiensten gehouden en waren er vergaderingen waarbij nieuwe ridders werden geslagen, overleden ridders werden herdacht en andere lopende zaken werden afgehandeld. De orde bestaat nog steeds. Er is een Spaanse en een Oostenrijkse tak.
Keizer Karel V, die als nazaat van hertog Filips een eeuw later soeverein van de orde was, staat op het Keizer Karelraam afgebeeld met de keten van het Gulden Vlies om de hals.
 
Behalve de ridderborden hangen in de kerk ook zes zeer oude houten wetsborden, daterend van 1591, waarop de toespraak van Mozes (uit het boek Deuteronomium) waarin hij de gevolgen noemt van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid van het volk Israël aan de geboden. 


Monument van Wassenaer Obdam

 Als Hercules naar de hemel
 
Bij binnenkomst van de kerk door de hoofdingang wordt het oog al snel getrokken naar het imposante monument in het koor, op de plaats waar vroeger het hoofdaltaar stond. Admiraal Jacob van Wassenaer Obdam sneuvelde in 1665 in de slag bij Lowestoft tegen de Engelsen en werd vervolgens door de Staten-Generaal met een monument geëerd, net als zijn beroemde voorgangers Jacob van Heemskerck, Piet Heyn en Maarten Tromp.
 
Van Wassenaer Obdam voerde in de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) het opperbevel over de Hollandse vloot. De tekst op het monument herinnert aan zijn heldendaden: de overwinning in 1657 op de Portugese vloot die met rijke goederen terugkeerde uit Brazilië, en, in 1658, zijn steun aan Denemarken en de overwinning op de Zweedse vloot in de Sont; en ten slotte “strijdend tegen de gezamenlijke koninklijke Engelse vloot met weinigen op zeer dappere wijze, en omringd van alle zijden, is hij zelfs niet zo voor de vijanden geweken; maar alvorens een grote slachting aangericht te hebben en nadat zijn schip ten laatste in brand was geraakt, heeft hij zich als een andere Hercules de weg gebaand door de vlammen naar de hemel, in het jaar des heils 1665 in de leeftijd van 55 jaar”. Ook Cortenaer sneuvelt in deze slag. De Ruyter zou daarna het tij doen keren. 
 
Het monument is van de Amsterdamse beeldhouwer Bartholomeus Eggers. De admiraal is staande – hij kreeg immers een zeemansgraf – in volle uitrusting uitgebeeld onder een door vier marmeren zuilen gedragen baldakijn. Naast hem een page, een schilddrager en een treurende putto, achter hem Faam, gezeten op een adelaar, een lauwerkrans in de rechterhand. Op het piëdestal zijn reliëfs aangebracht die herinneren aan door de admiraal geleverde zeeslagen. Rond het monument vier vrouwenfiguren die de deugden Dapperheid, Voorzichtigheid, Waakzaamheid en Trouw voorstellen. 


Monument Philips landgraaf van Hessen Philipsthal

Een moedig krijgsman, een voortreffelijke man

Een hoog grafmonument in de zuidelijke muur, onder het Jan de Bakkerraam, herdenkt Philips landgraaf van Hessen Philipsthal, op het monument herdacht als “een moedig krijgsman in de oorlog, een dapper veldheer, in alle manieren van levensgedrag vriendelijk, goedaardig, innemend, rechtschapen zonder hoogmoed, vroom zonder valse schijn, een voortreffelijk man”. Hij overleed onverwacht in 1721, 67 jaar oud, toen hij naar de heilzame baden van Aken was vertrokken voor zijn gezondheid. Het monument, wellicht ontworpen door Daniel Marot en ook lang toegeschreven aan Jan Baptist Xavery, is in opdracht van Philips’ vrouw Catharina Amalia van Solms Laubauch uitgevoerd door de Haagse beeldhouwer Nicolaas Seunties.
 
Op het monument ligt Philips in wit marmer, gehuld in wapenrusting en omringd door krijgsattributen, terwijl zijn weduwe zich naar hem buigt. Daarboven twee leeuwen met een wapenschild.
Philips was na een langdurige militaire carrière in buitenlandse dienst in 1708 naar Den Haag gekomen waar hij zijn huis liet verbouwen tot de Hessenhof. Eind 18de eeuw veranderde dit in Buitenrust, dat begin 20ste eeuw plaats moest maken voor het Vredespaleis.  


Graven

Hier leyt begraven
 
Bij een rondgang door de kerk struikelt men soms over de grafstenen die vooral in de vloer van de kooromgang zijn geplaatst. Maar ook in de pilaren en wanden van de kerk komt men een aantal gedenkstenen tegen. Hier een overzicht van de meest opmerkelijke.
 
Boven de magistraatsbank is een epitaaf met een Latijnse grafschrift waarin Barbara Duyck, in 1628 op 24-jarige leeftijd overleden, wordt herdacht. “Ik …. bid mijn voortreffelijke en edele echtgenoot Dudlei Carleton een lange reeks van jaren toe, die tegelijk zijn en mijn jaren zijn”, luidt de tekst. Carleton was Engels gezant in Den Haag en pleitbezorger tegen de remonstranten (dus tegen Van Oldenbarnevelt).
 
In de Noorderkapel is een groot epitaaf waarop namen staan te lezen van leden van de familie Van Hogendorp die vanaf 1632 tot 1765 in deze kapel begraven zijn. Het familiewapen bekroont de steen. Daarbij ook twee Latijnse spreuken: Ne Iupiter quidem omnibus (Zelfs Jupiter kan het niet ieder naar de zin maken) en Sic transit gloria mundi (Zo gaat ’s werelds roem voorbij). Onder aan de steen staat vermeld: “Men soekt de doot te ontvlien om datse het leven blust. Het leven is een droom, de doot het bedt van Rust”. Van de beroemdste Van Hogendorp, Gijsbert Karel, die deel uitmaakte van het driemanschap van 1813 en de grondwet van 1814 voor de nieuwe monarchie hielp opstellen, vindt men het graf op de Algemene Begraafplaats aan de Kerkhoflaan in Den Haag.
 
Even verderop, in de muur van de kooromgang onder het Kanunnikenraam, is de toegang tot de grafkelder van Cornelis Nobelaer, heer van Grijsoord, en Anna van der Wiele. Tegen een pilaar links op het koor hangt de gedenkplaat voor de geleerde Theodorus Graswinckel, ridder van San Marco en heer van Holy, stammend uit een patriciërsgeslacht te Delft. Nemo ignavia factus immortalis (Niemand is door luiheid onsterfelijk geworden) luidde zijn devies en het staat vermeld boven een opsomming van zijn verdiensten. Als advocaat-fiscaal diende hij de staat tijdens de vredesonderhandelingen in Munster, zijn geschriften gaven hem roem tot in Venetië en hij stond bekend om zijn menslievendheid. Zijn onvermoeibare, zelfs nachtelijke arbeid ondermijnden zijn gestel. Hij stierf na een beroerte in 1666 in Mechelen. De gedenksteen is van Rombout Verhulst.
 
Constantijn en Christiaan Huygens staan vermeld op een steen onder het Keizer Karelraam. Vader Constantijn (1596-1687) diende drie prinsen van Oranje als secretaris en was bekend als dichter en ijveraar voor kerkorgels. Hij ontwierp de Zeestraat naar Scheveningen (nu de Scheveningseweg). Hofwijck in Voorburg was zijn geliefde verblijfplaats. Zoon Christiaan (1629-1695) was een groot wis- en natuurkundige en bouwde onder meer het slingeruurwerk, waarvoor hij gebruik maakte van de toren van de Oude Kerk in Scheveningen. De steen is in 1857 geplaatst, nadat de historicus Schinkel het een schande had genoemd dat aan de Huygensen – de grafkelder van de familie lag in het koor – nog geen gedenkteken was gewijd.
 
Tegen een pilaar rechts op het koor vindt men het grafschrift voor Maria Magdalena, echtgenote van de Franse gezant Benjamin Aubéry Maurier en “de allerliefste en zeer godvruchtige moeder van elf kinderen”. Samen met haar twee oudste kinderen overleed zij op 35-jarige leeftijd in 1620. Aubéry heeft geprobeerd Van Oldenbarnevelt van de dood te redden en Hugo de Groot uit zijn gevangenschap te bevrijden.
 
Aan de zuidelijke muur, even buiten het koorgedeelte, is er een grafschrift in het Nederlands waarop de namen staan vermeld van Barbara van Panhuys, echtgenote van Gaspar van Vosberghen, gedeputeerde van Zeeland in de Staten-Generaal; voorts van hun dochter Barbara, 22 jaar oud, hun zoon Gaspar, onder meer ambassadeur in Venetië en drost en kastelein te Maartensdijk, 30 jaar oud, en hun zoon Louis, eveneens drost te Maartensdijk. 
 
In de westelijke muur, rechts naast het orgel, de gaaf bewaarde grafzerk van Gherard van Randenrode van der Aa, daterend uit 1600. Toen in 1795 de patriotten de familiewapens van de zerken verwijderden, bleef deze zerk onbeschadigd omdat de nakomelingen haar listig omdraaiden. De overledene is liggend uitgebeeld, gekleed in volle wapenrusting. Daarboven zijn wapen met acht kwartieren.
 
Misschien wel de oudste grafsteen is ingemetseld in de korte wand bij de ingang naar de Van Assendelftkapel. De steen zou afkomstig zijn uit de Kloosterkerk en dateren uit 1505. Hij herinnert aan ene Aechte, Klaas Rijcken's dochter, echtgenote van Jan de Weestvalinck:
 
ANO XVc-EN V OP TE EERSTE DACH
IN OCTOBER STARF AECHTE CLAES
RIJCKEN DOCHT JAN DE WEEST
VALINCK WIJF WAS BIDT VOER
HAER ZIEL
 
Anno 1500 en 5, op de eerste dag
in oktober, stierf Aagte, Klaas
Rijckens dochter, Jan West
valinck’s wijf was, bid voor
haar ziel. 

Monument ds. Dirk Arie van den Bosch
Een dominee die zijn mond niet kon houden
 
Een van de stille monumenten in de Grote Kerk, een witte figuur van een zaaiende vrouw van de Haagse beeldhouwer Dirk Wolbers, is het gedenkteken voor ds. Dirk Arie van den Bosch, die in de Tweede Wereldoorlog in kamp Amersfoort is gestorven. Onder het beeld de tekst: ‘Die met tranen zaaien zullen met gejuich maaien’.
 
Van den Bosch, geboren in een boerengezin in Hazerswoude, werd in 1910 bevestigd in de dorpskerk van Nieuw-Vennep. Na gediend te hebben in Stedum, wordt hij in 1916 beroepen als hervormd predikant in Den Haag. Hij werkt vooral in Transvaal, waar hij de drijvende kracht is achter de bouw van de Julianakerk in de Kempstraat. Hij geniet landelijke bekendheid door zijn manier van preken voor de NCRV-radio.
 
In de oorlog schrijft Van den Bosch, op verzoek van een uitgever, een boekje dat waarschuwt tegen alles dat in strijd is met Gods woord. Hij legt daarin ook verband met de mysterieuze symboliek van het boek Openbaringen. Begin november 1940 komt zijn boek uit met als titel: ‘666, het getal eens menschen’. De Duitsers beschouwen het als een aanval op Hitler – 666 is het getal van de duivel – ze vrezen het gesproken woord en zoeken een aanleiding om de populaire Haagse dominee op te kunnen pakken. Op 11 december 1940 wordt Van den Bosch thuis opgehaald door de bezetter en naar het Oranjehotel, de gevangenis in Scheveningen, afgevoerd. Hij mag zo nu en dan zijn familie zien en smokkelt brieven, via getrouwe bewakers, naar zijn huis. Hij wordt regelmatig verhoord.
 
Op 28 oktober 1941 gaat de dominee op transport, met de trein van het station Staatsspoor (nu Centraal Station) naar het ‘Polizeiliches Durchgangslager’, het kamp Amersfoort. Hij noemt het zijn ‘laatste gemeente’.
 
Buiten het werk in het kamp om geeft dominee Van den Bosch, samen met zijn Rotterdamse collega Rutgers in het geheim catechisatie, bijbelbesprekingen en op zondag is er ‘kerk’. Hij steunt zieken en bidt mee met stervenden.
 
In maart 1942 wordt hij zelf ziek en hij overlijdt aan dysenterie juist voor het ochtendappèl op de 20e van die maand. Het nieuws van zijn overlijden gaat als een lopend vuurtje over de appèlplaats. Hij wordt begraven in ‘Rusthof’ in Amersfoort. Op 29 maart wordt in alle Haagse kerken aan het begin van de dienst een korte herdenking voor deze moedige dominee gehouden.
 
Onder het gedenkteken staat een tekst uit de brief van Paulus aan de Filippenzen: ‘Ik wil dat gij weet broeders dat hetgeen aan mij is geschied meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is’. Ds. Straatsma die bij de onthulling van het monument een preek hield over deze tekst, zei onder meer: “Men zegt weleens dat een lastig gebrek van een dominee is, dat hij zijn mond niet kan houden. Hier is dan een dominee die gestorven is en nog zijn mond niet houdt. Zo lang deze kerk blijft staan zal hij het hier door deze gewelven herhalen: ‘Ík wil dat gij weet, broeders…’  

Preekstoel
 
Slachtoffer: het oude Jacobusbeeld
 
De zeszijdige eikenhouten preekstoel, een zijde tegen een kolom bij het koor, geldt als een van de belangrijkste voorbeelden van houtsnijwerk van de noordelijke renaissance. Elk van de vijf zichtbare zijden toont een fraai paneel van respectievelijk de vier evangelisten en Johannes de Doper. De maker is vermoedelijk Colijn de Nole, een begaafde beeldhouwer uit Cambrai (Kamerijk) in Noord-Frankrijk. De preekstoel dateert van 1550, dus van vóór de reformatie.
 
In de voet ziet men vrouwelijke wezens met saterkoppen en bokkenpoten die als het ware de kuip dragen. In de panelen de voorstellingen die een enorme ruimtelijke werking hebben. De evangelisten zijn herkenbaar aan hun symbolen: op de deur Mattheus met de engel, Marcus met de leeuw, Lucas met de stier en Johannes met de adelaar. Op het middelste paneel een voorstelling van Johannes de Doper temidden van een groep mensen, de doop in de Jordaan voorstellend. Op het rugpaneel, tegen de zuil aan, houdt Mozes de wetstafelen vast.
 
De overhuiving, ook wel het klankbord geheten, is een kunstig geheel met vijf naar beneden kijkende koningsfiguren. De bekroning, een zeskantig koepeltje waarop een rond tempeltje en een vergulde bol, is niet origineel. Hier heeft waarschijnlijk het beeld van Sint Jacobus, de beschermheilige van de stad en de kerk, gestaan. Mogelijk is het beeld het slachtoffer geworden van de beeldenstorm (die door tijdige voorzorgsmaatregelen in de Grote Kerk overigens niet al te veel schade heeft aangericht).
 
De preekstoel is ruim twintig jaar door katholieke geestelijken gebruikt, daarna gedurende ruim vier eeuwen door hervormde predikanten. Het was na de hervorming de gewoonte dat elke nieuwe predikant in Den Haag hier zijn intredepreek hield en ook afscheid nam van de gemeente. 


Doopvont

De doopvont is een geschenk van de firma Woudenberg die de laatste restauratie heeft uitgevoerd. De doopvont is gemaakt van hardsteen. Aan de buitenzijde zijn in reliëf vier christelijke symbolen aangebracht: de vis, het symbool van Christus; het schip, het symbool van de Kerk; de duif, die de Heilige Geest symboliseert en het Christusmonogram, bestaande uit de Griekse letters Chi en Rho. De doopvont is gebruikt bij de doop van prins Willem-Alexander. 


Metzler orgel

Een zangrijke klank
 
Boven de hoofdingang van de kerk is sinds 1971 het orgel te bewonderen dat werd gebouwd door de Zwitserse firma Metzler & Söhne. Het geldt nog steeds als een van de belangrijke nieuwgebouwde orgels van de laatste decennia in Nederland. Het omvat een hoofdwerk, rugpositief, borstwerk en pedaal. Het beschikt over drie manualen en telt vijftig stemmen of registers.
 
De kast, een ontwerp van Bernard Edskes, rust op een galerij die wordt gedragen door zuilen van gemarmerd hout. Griekse ornamenten sieren de kapitelen (bekroning) van de kolommen die met bladgoud zijn belegd.
 
Bij het inspelingsconcert in 1971 door Adriaan Engels, organist van de Grote Kerk, schreef een recensent van ‘Het Orgelblad’: “… het orgel van de St. Jacobskerk is dan ook een gaaf instrument geworden met een beschaafde klank”. Engels’ opvolger Wim van Beek gaf talloze concerten op het orgel en trok daarmee grote publieke belangstelling. De huidige organist, Ben van Oosten, bespeelt het orgel sinds 1990. Hij noemt het orgel met zijn voorname grondstemmen en zangrijke klank uitermate geschikt voor het Noord-Duitse barokke repertoire, maar ook andere stijlen, zoals de vroege Franse romantiek en het moderne repertoire komen er prima tot hun recht.
 
De Grote Kerk kent een rijke orgelgeschiedenis, al is van vóór de grote brand in 1539 weinig bekend. Wel is haast zeker dat kort na 1500 de kerk over een of twee orgels beschikte en mogelijk was dit al veel eerder het geval. Graven als Floris V, Albrecht van Beieren en Filips de Goede van Bourgondië hebben de kerk immers vele malen gebruikt en bij feestelijke vieringen was muziek een vereiste.
 
In 1549, in de laatste periode van de katholieke eredienst, leverde Cornelis Gerritsz een nieuw orgel voor de Grote Kerk, dat zeer waarschijnlijk aan de torenwand werd geplaatst. Die plaats werd voor deze grote instrumenten gebruikelijk, want het bood akoestische voordelen.
 
Met de reformatie kwam er een ommekeer. In 1574 vaardigde de synode van Dordrecht een orgelverbod uit, wat in de praktijk neerkwam op een gebruiksverbod tijdens de eredienst. Het kerkgezang van de calvinisten had ook geen orgelbegeleiding nodig. Toch werden organisten, soms zelfs een katholieke, aangesteld. De stedelijke regenten stelden de kerken open als schuilplaats voor minderbedeelden en als recreatieruimte. ‘Men hoorter vuyle Minne-liedekens, daer Hoeren en Camerspelers op dansen. Men loopt tot het heilighe Huys als tot een Tooneel, om de ooren te vermaken’, meldt Constantijn Huygens in zijn tractaat “Gebruyck en ongebruyck van ’t orgel in de kercken der Vereenighde Nederlanden’. Huygens, die Sweelinck zeer bewonderde, pleitte sterk voor orgelbegeleiding tijdens het zingen van de psalmen, dat kennelijk niet om aan te horen was.
 
Ook de orgelmakers bleven actief met restauratie en ombouw. In 1626 krijgt de kerk zelfs een heel nieuw hoofdorgel, gebouwd door vader en zoon Van Hagerbeer, voor publieke bespelingen wel te verstaan. Dit orgel werd, na enkele eerdere aanpassingen, in 1877 verkocht en is sindsdien spoorloos. Het kleine orgel was al in 1679 verkocht aan de Kloosterkerk. De Grote Kerk kreeg een orgel van Johan Frederik Witte, een instrument met liefst 55 stemmen, waar organisten en publiek blij mee waren en dat door grote musici als Saint-Saëns, Vierne, Schweitzer, Tournemire en Jeanne Demessieux is bespeeld. Toen de muzikale belangstelling verschoof naar meer een authentieke uitvoering van de barokmuziek en naar modernere werken, was het lot voor ‘het grote harmonium’ beslist. Het werd gesloopt. Slechts enkele radio- en grammofoonopnamen herinneren aan de klankrijkdom van dit instrument. 


Kabinetorgel 

Het kabinetorgel dat in het Hoogkoor staat opgesteld is een instrument van bijzondere historische waarde. Zowel als instrument als ook als meubel (wortelnotenhout !) is het een uniek en zeldzaam exemplaar. Het orgel is vermoedelijk gebouwd aan het einde van de 18e eeuw door Christian Müller. Het instrument is in bezit van vrijwel alle authentieke onderdelen zoals o.a. een originele blaasbalg, ivoren toetsen en een origineel smeedijzeren voetpedaal.
 
Het orgel heeft van 1851 tot omstreeks 1952 in de Hervormde Kerk te Budel gestaan. In 1954 is het geplaatst in de Hervormde kerk "De Morgenster" aan de Melis Stokelaan te 's-Gravenhage. Het orgel is vervolgens overgeplaatst naar het Haags Gemeente Museum, waar het deel uit maakte van de bijzondere instrumenten collectie. Tenslotte is het kabinetorgel definitief ondergebracht in de Grote Kerk Den Haag.

Na een dubbele restauratie, een meubel- én een orgelrestauratie, is het orgel in augustus 2005 ingewijd door organist Gustav Leonhardt. 


De kapel van Van Assendelft

De in het jaar 2000 opgeknapte en heringerichte Van Assendelftkapel is de enig overgebleven kapel van de vele die aan de kerk waren aangebouwd.
 
De kapel, 12 bij 7 meter groot, is genoemd naar Gerrit van Assendelft (†1486), die samen met zijn vrouw Beatris van Dalem (†1492) in albast is uitgebeeld, liggend op hun graftombe in de kapel. Het huidige monument is na de kerkbrand van 1539 in renaissancestijl uitgevoerd. In de nis boven de tombe is het wapen van Van Assendelft afgebeeld, geflankeerd door zestien kwartieren. Aan weerszijden zuiltjes met kapitelen, daarboven engelenkopjes en bladornament. De maker van het monument is onbekend. In de zestiger jaren is het bovendeel van de tombe gereinigd en waar nodig hersteld. In 2000 is van verdere restauratie van de beschadigde beelden afgezien.
 
De kapel, die vermoedelijk dateert van vóór 1482, staat tegen de zuidwand van de kerk en ontvangt haar licht door vier spitsboogramen met blank glas in lood. De oorspronkelijke gebrandschilderde ramen zijn verloren gegaan. De kruisgewelven zijn van steen. Onder de eiken vloer zijn de grafkelders van de stichters. De schouw, waarboven een spiegel, stamt uit 1760.
 
Voor de reformatie was de kapel in gebruik voor de katholieke eredienst. Het altaar stond op de plaats waar nu de ingang is. Gerrit van Assendelft en zijn vrouw hadden in 1482 een capellanie gesticht en een fonds gevormd waaruit een priester kon worden betaald die na hun dood missen zou lezen voor hun zielenrust. Van Assendelft was onder Karel de Stoute van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk ridder en raad in het Hof van Holland. Hij woonde aan het Westeinde, waar de voormalige woning van de Britse ambassadeur en de kerk van Teresa van Avila zich bevinden.
 
In de kapel bevinden zich nog drie grafstenen ter herinnering aan leden van de familie Van Assendelft,
In 1751 droeg de familie de kapel over aan de kerkmeesters die de kapel later inrichtten als consistoriekamer. Toen is ook de schouw in Louis XV-stijl aangebracht. Het grafmonument verkeerde inmiddels in slechte staat. De brokstukken werden in een kast opgeslagen. Pas in 1963 is het monument hersteld, ter afsluiting van een grote restauratie van de kerk.
 
In de kapel-consistoriekamer hingen ook de portretten van de predikanten die de Haagse hervormde gemeente hebben gediend. Onder hen Johannes Uytenbogaert. Thans wordt de kapel gebruikt voor onder meer ontvangsten en als vergaderruimte.  


Bezichtigingen

Voor bezichtiging van de Grote Kerk zie Rondleidingen »