| Full screen |

Gebrandschilderde ramen

Vaak vernield, maar de eeuwen overleefd

Als een van de weinige kerken in Nederland bezit de Grote Kerk twee gebrandschilderde ramen die dateren uit de eerste helft van de 16de eeuw. Toen na de grote brand van 1539 de kerk werd herbouwd, moesten ook de glazen worden hersteld. Slechts twee van de oorspronkelijke 26 hebben de eeuwen overleefd en zijn nog te bewonderen.
 
De beeldenstorm heeft aan de ramen geen schade aangericht, het herstel is zelfs daarna doorgegaan. Maar stormen, opstootjes en straatjongens hebben met ‘balgooyen, kooten en kaetsen, ja werpen van steenen’ veel vernield. Verkeerde restauraties in de loop der eeuwen, vooral die in 1878-84, deden de rest.
 
De twee resterende ramen bevinden zich in de kooromgang van de kerk: het Keizer Karelraam, geschonken door Karel V, die als Heer der Nederlanden Den Haag kort na de brand bezocht, en het raam van de kanunniken van de Hofkapel, dat vanwege de voorstelling ook wel het Maechdeglas wordt genoemd. Beide ramen worden toegeschreven aan de gebroeders Dirk en Wouter Crabeth, die later ook de ramen in de Goudse St. Jan hebben vervaardigd.
 
Het middelste koorvenster, geschonken door de keizer Karel, toont Maria met het Kind Jezus, neerdalend uit de wolken en met haar voet op de nek van Satan. Boven haar hoofd de duif die de Heilige Geest voorstelt. De keizer in goudbruine mantel knielt op een blauw kussen met voor zich de bijbel, opengeslagen bij de eerste verzen van het evangelie van Johannes, in het Spaans: En el principio era la palabra (in het begin was het woord). De helm en handschoenen van de keizer liggen op de grond, scepter en rijksappel op een kussen. Op de rand van het onderkleed is Plus oultre geborduurd, een deel van Karels lijfspreuk Montes Herculis Colun plus ultra, hetgeen betekent: Mijn rijk gaat tot de zuilen van Hercules (Gibraltar) en nog verder (tot Amerika).
 
In de loop der eeuwen heeft het prachtige raam veel aandacht getrokken en is om die reden ook vaak gerestaureerd. Daarbij werden fragmenten van andere ramen gebruikt, ook van het kanunnikenraam. Bij de restauratie van 1916 zijn verkeerde toevoegsels weggehaald en zijn de onderste twaalf vakken door nieuwe vervangen. Daarin staat de schenker vermeld en de namen van de onderdelen van zijn rijk.
Het Maechdeglas, in de derde travee (ruimte tussen twee kolommen of steunberen) van de noordelijke kooromgang, geeft een voorstelling van de aankondiging van de geboorte van Jezus door de engel Gabriël. Maria, gekleed in blauw gewaad en gezeten naast een bidbank waarop haar hand rust, luistert naar de engel in paars kleed met blauwe vleugels die haar de boodschap brengt dat de geest Gods (gesymboliseerd door de duif) over haar zal komen en zij een zoon zal baren. God zelf ziet op het tafereel toe. In de twaalf vakken onderin staan de kanunniken, de schenkers van het raam. Hun wapens zijn boven hun hoofd aangebracht.
 
In 1916 is ook dit raam hersteld door de Delftse glazenier Jan Schouten die daarbij gebruik kon maken van een tekening uit de 18de eeuw, toen het raam nog vrijwel ongeschonden was. Ook bestudeerde hij de fragmenten van andere oorspronkelijke ramen die zich nog in het Gemeentemuseum bevinden. Het atelier van Schouten vervaardigde voor de kooromgang van de Grote Kerk ook drie nieuwe glazen, naar ontwerp van H. Veldhuis. Deze stellen voor De annunciatie aan Zacharias, De aanbidding van de herders en De twaalfjarige Jezus in de tempel.